Geen idee: Inleiding

Het was op een mooie najaarsdag in 1960 dat mijn ouders, als recentelijk afgestudeerde artsen en kersverse ouders van hun eerste kind, mijn oudste broer, aan boord gingen van het vrachtschip genaamd ‘Senegal Kust’, varend van Amsterdam naar West-Afrika. Met enige onderbrekingen hebben ze de daaropvolgende achtenveertig jaar in het westen, oosten en zuiden van Afrika doorgebracht. Ik ben dus ook in Afrika geboren en opgegroeid, wat mijn positie in en visie op de wereld natuurlijk in belangrijke mate heeft gevormd. Zo kon het gebeuren dat ik pas in 1985 als negentienjarige in Nederland kwam aangespoeld en ergens in die eerste dagen een gesprek had dat mij tot vandaag is bijgebleven. Het ging over mijn situatie als nieuwkomer, en in het bijzonder over de vraag wat ik nu in en met mijn leven zou doen. Waarop mijn gesprekspartner zei: ‘Nou, het belangrijkste is gewoon dat je een plekje weet te vinden in de maatschappij.’                

Ik weet niet meer wat ik terugzei, maar herinner me nog heel goed het gevoel van verbazing en beklemming dat mij toen beving. Voor mij was – en is nog steeds – ‘de maatschappij’ een verzamelterm voor alles wat je tegenkomt op straat en waarover je leest in de media. Daar houd je rekening mee en je maakt er gebruik van, en de maatschappij heeft wat aan jou en jij hebt wat aan de maatschappij, maar hoe kun je daar nou ‘een plekje in vinden’? Die plek heb ik toch al, louter door hier aanwezig te zijn? En hoe kon dit vreemde streven dan bovendien gelden als ‘het belangrijkste’ dat mij te doen stond? Het belangrijkste leek mij om uit te zoeken wat ik in en met mijn leven wilde doen, opdat ik een goed en betekenisvol leven zou hebben. Het was een vraag naar waarden, naar inhoud, naar zin; het antwoord dat ik kreeg leek mij zo leeg.   In de maanden en jaren die volgden ben ik het antwoord van mijn gesprekspartner beter gaan begrijpen. Als (toen) werkloze werd ik aangemoedigd werk te vinden, ‘zodat je kunt participeren in de maatschappij’. Ik bekeek personeelsadvertenties en las hoe een revalidatiecentrum er alles aan deed om patiënten ‘zo snel mogelijk weer mee te laten doen in de maatschappij’, en het bleek een taak van jeugddetentiecentra om delinquenten ‘voor te bereiden op een terugkeer in de maatschappij’. Ik overwoog ook een carrière in het onderwijs, waar kinderen ‘worden voorbereid op het leven in de maatschappij’. En om mij heen hoorde ik hoe mensen zich zorgen maakten of ze nog wel ‘goed functioneerden in de maatschappij’, waarbij ze een cursus of opleiding overwogen ‘om beter te kunnen functioneren’.                

Zo bleek ik te leven in een land waar ‘de maatschappij’ wordt opgevat als een soort gemeenschapsruimte waar je als door een poortje naar binnen en naar buiten kunt. En daarbinnen is geen plaats voor revalidatiecentra, ziekenhuizen, psychiatrische klinieken, gevangenissen, werklozen of kinderen. Dus het is een ruimte die uitsluitend is bedoeld voor brave modelvolwassenen, geheel gezond van lichaam en geest, die probleemloos ‘functioneren’ in hun rol als burger, als arbeidskracht, als consument. Die ook gewillig de ruimte verlaten wanneer ze dan toch een been breken, of eventjes erg levensmoe worden, of op een andere wijze van het spoor af raken, om ‘daarbuiten’ een rol te spelen als patiënt of cliënt in de handen van artsen, maatschappelijk werkers, psychologen, psychiaters, psychotherapeuten. Die allemaal om het hardst beloven jou zo snel mogelijk weer aan het functioneren te krijgen, mits je ze eventjes aan je laat sleutelen. Het is een vreemde, om niet te zeggen absurde voorstelling van het leven. Maar het gemak en de frequentie waarmee het zo wordt voorgesteld, suggereert dat ‘functioneren in de maatschappij’ fungeert als een verdwijnpunt van het denken; dus als een ordenend en zingevend perspectief dat verder niet ter discussie staat.                  

Sinds ik in Nederland ben komen wonen is de maatschappij echter ook ingrijpend veranderd door het proces dat bekend staat als globalisering. Waar de maatschappij aanvankelijk nog een vrij gesloten, homogene en statische ruimte was, daar transformeert zij de laatste decennia in steeds rapper tempo tot een ruimte die zeer dynamisch en veranderlijk aanvoelt, en op allerlei manieren vervlochten is met de rest van de wereld. Het is inmiddels volstrekt normaal geworden om te leven met een wereldomspannend communicatienetwerk direct binnen handbereik, waardoor wij voortdurend en in real time kunnen volgen wat zich in elke uithoek van de wereld afspeelt en rechtstreeks in gesprek kunnen gaan met de mensen die daar wonen. En dankzij het geavanceerde en steeds goedkopere mondiale vervoerssysteem schuiven wij binnen maximaal een etmaal bij diezelfde mensen aan tafel.                

Amsterdam, Accra, Adelaide – ooit werelden apart – zijn nu als haltes aan dezelfde metrolijn. Mede vanwege deze toegenomen mobiliteit en de nieuwe immigratiestromen wordt de gemeenschapsruimte inmiddels bevolkt door zeer diverse bevolkingsgroepen van verschillende kleur en religie en culturele achtergrond. Zo leven wij in toenemende mate in wat met recht wordt aangeduid als ‘het mondiale dorp’, met het beeldscherm als een virtueel dorpsplein waarop miljarden mensen gelijktijdig kunnen genieten van de verrichtingen van voetballers op het veld, of van popsterren op het podium. Of getuige kunnen zijn van de gruwelijke gewelddadigheden die sommige mensen nog steeds bereid zijn anderen aan te doen, in naam van een politieke of religieuze ideologie, of om etnische of economische redenen.                

Globalisering betekent dat het dak van de gemeenschapsruimte wordt geblazen, en voelt tegelijkertijd alsof de bodem onder onze voeten wegzakt. Wie en wat zijn wij en waar gaan we heen? Er ontstaat behoefte aan een nieuw houvast: aan waarden en een identiteit en zin die niet alleen gelden binnen de perken van ons nationale en culturele verleden, maar ook ruimte bieden aan en perspectief bieden op een wereldwijd leefbare toekomst. Globalisering stelt de vraag op scherp: Wat hebben alle mensen, waar ook ter wereld, met elkaar gemeen?                

En dan is het toch gek dat we daar helemaal geen antwoord op lijken te hebben. Terwijl iedereen intuïtief wel aanvoelt dat er toch iets is wat alle mensen in elkaar herkennen en waarop we elkaar kunnen aanspreken, iets op basis waarvan we elkaar kunnen verstaan. Misschien is de ontwikkeling van de wereld ‘daarbuiten’ zoveel sneller gegaan dan ‘hierbinnen’ dat wij geestelijk nog een beetje achterlopen. Alles went immers zo snel dat het algauw geen indruk meer maakt – maar het is pas sinds enkele honderden jaren dat we vertrouwd zijn geraakt met het denkbeeld van de aarde als een ronde bol, en pas sinds enkele decennia hebben we de foto’s die het bewijzen, en het is pas sinds enkele jaren dat we het, dankzij de genoemde communicatie- en vervoersmiddelen, aan den lijve ondervinden.                

De aarde is een eenheid en de mensheid is een eenheid, maar ons hoofd is nog steeds doorschoten van lijnen, grenzen, verschillen, afstand. We kijken nog steeds naar de wereld als door een raster dat alle levende wezens onderscheidt naar species en dat alle mensen verdeelt naar kleur en ras, religie en cultuur, en vooral ook naar het meest oppervlakkige fenomeen van allemaal: nationaliteit. De grenzen die onze (over)grootvaders trokken op papier zien wij nog steeds doorgedrukt in de realiteit, en nog steeds zijn mensen bereid te doden en te sterven vanwege het toeval dat ze aan deze of gene zijde van zo’n denkbeeldige grens zijn geboren.                  

Het lijkt mij dus de hoogste tijd dat we leren denken en leven ‘op de hoogte der tijden’, om een favoriete uitdrukking te gebruiken van mijn favoriete wijsgeer, de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset (1883-1955). In het mondiale dorp hebben we dringend behoefte aan een visie en een moraal die niet alleen mensen verbindt en tot een gezamenlijke toekomst inspireert, maar ons ook bevrijdt uit het naargeestige keurslijf van ‘functioneren in de maatschappij’. Een levensfilosofie die ons aanmoedigt om goed te zorgen voor onszelf, voor elkaar, voor deze gehele planeet; en die recht doet aan en gegrond is in wat elk mens met eigen ogen kan zien en met eigen verstand kan bevatten, ongeacht zijn culturele achtergrond. De hoogste tijd, kortom, voor een zogenaamde filosofie van het boerenverstand.                

Met ‘boerenverstand’ probeer ik de rijke betekenis te vangen van het Engelse begrip common sense, waarbij common zowel alledaags als gemeenschappelijk betekent en sense verwijst naar zowel verstand als waarneming. Want het doel van deze filosofie is om te benoemen en te doordenken wat – naast en te midden van alle langs-elkaar-heen-schurende en op-elkaar-botsende historisch en cultureel bepaalde waarden en waarheden – alle mensen in ieder geval met elkaar gemeen hebben. Ofwel: wat is in de eenentwintigste eeuw onze common ground? Deze vraag kunnen we uitsplitsen naar twee subvragen:   1) Wat is werkelijkheid, voor alle mensen overal ter wereld? 2) Wat is van waarde, voor alle mensen overal ter wereld?                  

Als we dan met het boerenverstand op de eerste vraag een antwoord formuleren, dan luidt dit ongeveer als volgt: wat voor alle mensen overal ter wereld werkelijkheid is, is wat we zien als we gewoon even rondkijken. Dus kijk even rond, en wat we dan zien is wat we, voorlopig en voor het gemak, kunnen benoemen als ‘het leven zelf’. Dit is waartoe we elke ochtend wakker worden en waar we de rest van de dag mee bezig zijn – dag in dag uit, jaar na jaar, tot de dood erop volgt. Daarom gaan we in dit boek uitgebreid kijken naar de realiteit van ‘het leven zelf’. Waar hebben we het dan precies over, hoe ziet het eruit, hoe steekt het in elkaar? Het zal algauw blijken dat dit fenomeen ons voor een fundamentele uitdaging stelt: in hoeverre kunnen wij denken en spreken over het leven zelf, zonder het met onze woorden te vervormen tot iets wat het niet is? We zullen ons daarom ook moeten wijden aan een analyse van de relatie tussen taal en werkelijkheid. Dit onderzoek naar het leven zelf is van groot belang, want stellen wij nu de tweede vraag: Wat is van waarde, voor alle mensen overal ter wereld?, dan geldt precies hetzelfde antwoord: het leven zelf. Voor ieder mens staat dit leven dagelijks op het spel, en onwillekeurig streeft iedereen naar een zo goed mogelijk leven – op welke manier dan ook.                

Dit boek bestaat uit negen beschrijvende en analytische hoofdstukken over ‘het leven zelf’ (als fenomeen en als begrip), afgewisseld door een serie praktische intermezzo’s waarin een parallel spoor wordt verkend: wat betekent goed leven in de praktijk, hoe ziet het eruit en hoe doe je het? Als algemene richtlijn introduceer ik hiervoor de eenvoudige en bevrijdende moraal: Zie van zoveel mogelijk, zoveel mogelijk te houden. Want wie voelt nou niet op zijn klompen aan dat er geen beter, fijner, mooier leven denkbaar is dan een leven van liefhebberij, in de ruimste zin van het woord? Liefhebben is de enigszins paradoxale inspanning om het eigen leven te verruimen, te verdiepen en te verfraaien door een steeds diepere relatie te cultiveren met iets of iemand anders. Als we aandachtig kijken naar hoe we dat doen, kunnen we leren dit nog bewuster te doen en nog breder toe te passen. Zo zullen we allemaal wel houden van bepaalde persoonlijke praktijken: we beoefenen een sport, bespelen een muziekinstrument of verzamelen fossielen. Dat is een relatie waarvan we genieten, maar deze relatie bouwen en onderhouden vergt discipline, toewijding, geloof – een vorm van arbeid vergelijkbaar met het cultiveren van gewassen op het land. Zo gaat deze filosofie van het boerenverstand hand in hand met een praktische levenscultuur.                

Naast persoonlijke praktijken heeft levenscultuur betrekking op de dagelijkse leefomgeving, zowel binnenshuis als buitenshuis – denk aan alledaagse activiteiten als koken en schoonmaken, maar ook aan de betekenis van riten en de waarde van aandachtig wandelen. Levenscultuur gaat natuurlijk ook over de vraag wat het betekent om te houden van al die andere levende wezens om ons heen – van planten en dieren tot mensen, in verschillende gradaties van nabijheid. Verder onderzoek ik manieren om ons rechtstreeks en aanhoudend te interesseren voor het wonderlijke verschijnsel van het leven zelf, onder andere door middel van meditatieve praktijken. Deze filosofie van het boerenverstand mondt uit in een slotbeschouwing waarin ik weer uitzoom naar het niveau van ‘het mondiale dorp’ waar ik mee begonnen ben: hoe gaan we om met het wereldwijde leed en geweld, en wat is de rol van politiek in de samenleving?                

Vertrouwen op het boerenverstand betekent dat we denkend uitgaan van wat iedereen allang weet, en handelend voortborduren op wat iedereen allang doet. Toch zal deze filosofie, ondanks of juist vanwege de eenvoud, letterlijk revolutionair blijken te zijn. In de kern draait zij om de erkenning en doordenking van het feit dat wat alle mensen met elkaar gemeen hebben juist in het eigene schuilt, in het veranderlijke, in het oneindige verschil. Daar houvast in vinden vergt een draai van honderdtachtig graden in de manier waarop we denken. In de woorden van Ortega y Gasset: "Na vijfentwintig eeuwen onze geest geoefend te hebben de realiteit te zien sub specie aeternitatis [vanuit het oogpunt van de eeuwigheid] moeten we nu opnieuw beginnen en ons een intellectuele techniek opbouwen die ons in staat stelt haar te zien sub specie instantis [vanuit het oogpunt van het ogenblik]."               

Om deze draai te maken zullen we onder meer inspiratie vinden in het boeddhisme en taoïsme. Doorslaggevend is echter een onvervalste filosofische innovatie waarmee we het denken op elegante wijze bevrijden uit de cartesiaanse kooi van het ‘ik denk dus ik ben’. Deze draai in hoe wij denken stelt het fenomeen van het leven in een verrassend nieuw licht en opent geheel nieuwe en stimulerende perspectieven. Maar deze draai zal iedere persoon zelf moeten maken, en dus ook zelf moeten willen maken. Goed denken noch goed leven is de uitkomst van een rationele argumentatie, maar is het gevolg van een vrijwillig gekozen moreel uitgangspunt. Daarmee bijt deze filosofie in haar eigen staart; de cirkel is rond. En inderdaad zullen wij in dit boek steeds rondjes draaien om de spil van het leven zelf, als rond een totempaal – maar zoals je dat soms in stripverhalen ziet uitgebeeld, zal het pad zich wel steeds verder verdiepen.